De rijkgevulde geschiedenis van het Brusselse voetbal

1

Na 70 edities kan de beker van België nog steeds verrassen. Voor het eerst in haar geschiedenis staan twee Brusselse clubs tegenover elkaar in de finale. De affiche tussen RSC Anderlecht en Union Saint-Gilloise is ook bijzonder om nog een andere reden. Hoewel beide een groot deel van de Belgische voetbalgeschiedenis domineerden, deden ze dat elk in een andere periode. Historisch gezien ontliepen RSCA en Union elkaar voortdurend in de tweestrijd voor landskampioenschappen en bekers. Van echte rivaliteit was tot voor enkele jaren eigenlijk nauwelijks sprake. 

— Geschreven door Kurt Deswert

Kurt Deswert is een Brusselse auteur en voetbalhistoricus met een bijzondere passie voor de geschiedenis van het Belgische en Brusselse voetbal. Naar aanleiding van de allereerste Brusselse bekerfinale ooit tussen RSC Anderlecht en Union Saint-Gilloise schreef hij deze longread over de rijkgevulde geschiedenis van het Brusselse voetbal, waarin beide clubs een hoofdrol spelen.

De voorgeschiedenis

RSC Anderlecht en Union Saint-Gilloise zijn zonder twijfel de succesvolste exponenten van een verhaal dat begon in de jaren 1860. Toen arriveerde het voetbal in Brussel. In het kielzog van de Britse militaire aanwezigheid na de slag bij Waterloo en de vele industriëlen en ingenieurs die de Belgische Industriële Revolutie mee vorm gaven. Volgens Rodolphe Seeldrayers (1876-1955), zelf Brusselaar en latere FIFA-voorzitter, werd er al in 1865 in onze hoofdstad gevoetbald. Tussen leerlingen van Engelse scholen; op een groot braakliggend terrein in Elsene, dat Tenbosch werd genoemd. De sport werd al gauw erg populair. In 1868 adverteerde ene Joseph Perry in de Brusselse kranten dat hij in zijn “Magasin Anglais et Américain”, aan de Hofberg (vandaag de Kunstberg), ‘footballs’ te koop had voor jonge en oudere sportievelingen. Vanaf de jaren 1880 ontstond er een bruisend netwerk van voetbalclubs in Brussel, meestal als onderdeel van multisportclubs met vaak ook nog een atletieksectie. De Brussels Football Club, opgericht in 1882, is daar waarschijnlijk het oudste voorbeeld van. De Brusselse ketten hadden zich intussen het spelletje van hun Britse stadsgenoten eigen gemaakt. Onder hen ook Seeldrayers en zijn broer.

Afbeelding
1

Voetbal op Tenbosch (Bron: Aftrap in Brussel)

De Plateau

Niet enkel op Tenbosch, maar ook aan de andere kant van Brussel werd gevoetbald aan het einde van de 19de eeuw. Op de Plateau van Koekelberg, nog zo’n braakliggend terrein. Daar zagen de twee traditieclubs Racing Club de Bruxelles (1894) en Daring (1895) - voorgangers van RWDM - kort na elkaar het levenslicht. Ze moesten al gauw uitwijken naar andere locaties door de aanleg van het Elisabethpark. Iets later begon men er ook met de bouw van de basiliek. In de schaduw van die werf - die in totaal maar liefst 65 jaar zou duren - begonnen honderden ketten op straat te voetballen. Waaronder ook ene Raymond Goethals (1921-2004) die later zowel bij Daring als Racing in de goal zou staan. 

Racing week uit naar de Ganzenvijver in Ukkel. Daring vertrok richting Jette en ging spelen op een veld aan de Jetselaan, op nummer 501. In 1912 werd daar de allereerste bekerfinale voor clubs gespeeld, die werd gewonnen door Racing. Met een winnend doelpunt van de Brit Cyril Bunyan (1892-1975). Dat was bovendien een doelpunt met een paars-wit randje aangezien Bunyan 10 jaar later immers Anderlechts allereerste buitenlandse trainer zou worden. Volgens de legende verving hij zijn vader Maurice. Die had net een contract met paars-wit getekend, maar stierf al tien dagen later. 

Racing was de eerste Brusselse topclub, de eerste Brusselse landskampioen en ook de eerste bekerwinnaar. Het won zes landstitels voor WOI en speelde bovendien een belangrijke rol bij de totstandkoming van de FIFA - maar dat is een ander verhaal. Ondanks de successen en zijn fabuleuze stadion in Ukkel, met de uit 1902 daterende tribune die er nog steeds staat (een must see voor groundhoppers), verloor het zijn hegemonie over het Belgische voetbal echter aan Union.

Afbeelding
2

Le Plateau de Koekelberg (Bron: Nico Dewaele, RWDM 50 Years)

Union als topclub

Die club is in 1897 ontstaan op het Van Meenenplein in Sint-Gillis. Maar daar werd het groepje adolescenten - de oudste was slechts 19 jaar oud - al gauw weggejaagd, om plaats te maken voor de bouw van het imposante nieuwe stadhuis van Sint-Gillis. Er volgden een aantal omzwervingen alvorens Union in het Dudenpark belandde. Het team wist zich vrij gauw naar de top te voetballen, mede dankzij hun - voor die tijd - erg viriele aanpak. In het amateurtijdperk, waarin fair play en sport-om-de-sport nog voorop stonden, werd er bij Union al voluit gespeeld om te winnen. Aangevuurd door (toen nog) illegale premies, behaalde Union 7 landstitels voor de Eerste Wereldoorlog. In het interbellum kwamen er daar nog eens 4 bij. Maar er was toch vooral die fenomenale reeks van 60 wedstrijden op rij zonder nederlaag tussen 1933 en 1935, tot op de dag van vandaag nog steeds een record. Die reeks werd echter afgebroken na een legendarische derby tegen Daring. “Union Soixante” werd daarna een begrip in de Belgische en internationale voetbalwereld. Unions succes viel te danken aan een vooruitstrevende aanpak. Voor WOII had de club bijvoorbeeld al twee satellietploegen die voor de doorstroming van jeugd zorgden. Bovendien maakten ze met de bouw van het Joseph Mariënstadion een architecturaal statement. 

Maar opeens kwam er een einde aan de opgang van de Unionisten. In eerste instantie nam rivaal Daring de scepter over, die in 1936 en 1937 landskampioen werd. Na WOII zouden zowel Union als Daring echter uit de top van het Belgisch voetbal wegglijden en werd RSC Anderlecht de dominante Belgische topclub.

Paars-wit groeit

Tussen de twee wereldoorlogen timmerde RSC Anderlecht al serieus aan de weg. Al was het toen nog bij lange na geen topclub. Paars-wit ontstond in 1908, toen het voetbal al stevig ingeburgerd was in Brussel en België. Het was dan ook niet evident om nog een plekje onder de voetbalzon te vinden, tussen het sportieve geweld van Racing, Union en Daring. Om hogerop te raken, trok Anderlecht bij buur Daring spelers en trainers aan, zoals de broers Versé, die in de voetsporen van hun vader Emile traden - de man die later de eerste grote mecenas van de club zou worden. Daringtopschutter en Rode Duivel, Sylva Brébart, trok naar Anderlecht. Ook Theo Verbeeck, die in 1911 voorzitter zou worden en dat bleef tot 1951, was eerst bij Daring aangesloten alvorens de overstap naar Anderlecht te maken. Hij zou de basis leggen voor de latere successen van de club, onder andere door werk te maken van een doorgedreven jeugdopleiding en sportmedische begeleiding.

Anderlecht had best wel wat gemeen met Daring en Union. Terwijl Racing wat elitairder was, waren Daring, Union en Anderlecht echte volksclubs die regelmatig 20 tot 30.000 toeschouwers lokten. Zeker wanneer er een derby plaatsvond. Union werd gaandeweg wat chiquer door de successen en de grandeur van het Mariënstadion, een evolutie die Anderlecht later eveneens zou doormaken. 

Territoria

Elke Brusselse club had zijn eigen “territorium”. Union haalde zijn supporters uit Ukkel, Vorst en Sint-Gillis, maar het was ook de club van de Marollen en van de Brusselse binnenstad; tot aan het kanaal. Het had bijvoorbeeld een tijdlang een secretariaat in een zijstraat van de Anspachlaan. Union trok ook supporters uit Sint-Genesius-Rode, Halle, Beersel en de Zuidrand van Brussel. Daring was dan weer de ploeg van de “overkant” van het kanaal, met supporters uit Molenbeek, waar een grote groep arbeiders woonde. Maar het had ook supporters uit Jette, Sint-Agatha-Berchem en het meer chique, hoger gelegen Koekelberg. 

Anderlecht had het voordeel dat het uit een sterk groeiende gemeente kwam, met een industriële zijde rond het kanaal en uitlopend tot in het Pajottenland. De Anderlechtsupporters- en spelers kwamen zowel uit hartje Kuregem, van Scheut en het Rad en de zone langs het kanaal, als uit het rurale Neerpede en de omliggende gemeentes zoals Lennik, Ruisbroek (waar Jef Jurion vandaan kwam), Drogenbos, Sint-Pieters-Leeuw (thuis van Paul Van Himst) en Dilbeek. Toen paars-wit in 1922 voor het eerst naar de hoogste voetbalklasse steeg, had het al zo’n 719 aangesloten leden, de atletieksectie meegerekend. Op Daring (1070 leden) na was het daarmee de grootste van alle Brusselse clubs; groter dan Union, dat op dat moment de Brusselse topclub was. In heel België waren er slechts vier clubs die meer leden telden. Het toonde aan dat Anderlecht van meet af aan een populaire club was, met een grote aanhang in de verschillende volkswijken van de gemeente.   

Spelers en bestuursleden van de Brusselse clubs kenden elkaar door en door. Van bij de Rode Duivels en van de wedstrijden met de “Brusselse Entente”. Opvallend was ook dat Union, Daring en Anderlecht op een bepaald moment alle drie een gelijkaardig clubembleem hadden: twee in elkaar grijpende ringen. De oorsprong van dat symbool is moeilijk te achterhalen, maar het duikt voor het eerst op als embleem van de Franse voetbalbond, dat het in België introduceerde via interlands van de Franse nationale ploeg. Dat de drie Brusselse clubs een gelijkaardig embleem hadden, lijkt er alvast op te wijzen dat ze op dat vlak niet per se de behoefte hadden om zich visueel hard tegen elkaar af te zetten. 

Afbeelding
logo's

De gelijkaardige logo's van de drie Brusselse clubs (bron foto: 100 jaar Royal Sporting Club Anderlecht)

Politiek

De drie clubs hadden een bourgeois bestuur, naar het beeld van Brussel in die tijd. “C’était au temps où Bruxelles bruxellait”, zong Jacques Brel. Emile Versé was lederfabrikant uit Kuregem, Theo Verbeeck verzekeringsmakelaar. Union-voorzitter Joseph Mariën was dan weer een rijke wisselagent, terwijl Emile Bossaert van Daring eigenaar was van de koekjesfabriek Victoria en ook liberaal burgemeester van Koekelberg. Ook bij Union waren er banden met het liberale gemeentebestuur van Sint-Gillis. Bij Anderlecht kwamen de bestuursleden uit katholieke middens. Versé was lid van de katholieke associatie van Anderlecht en de club zelf was opgericht in parochiezaal ‘Concordia’, die verbonden was met de Sint-Pieter en Sint-Guidokerk.

Het jaar 1935

Union vierde in 1935 zijn derde titel op rij (en zou vervolgens 90 jaar op een volgende wachten). In datzelfde jaar belandde paars-wit definitief in eerste klasse. Op de achtergrond speelde er zich vanalles af in het Belgisch voetbal. In 1935 besloot de Belgische voetbalbond immers om een vorm van professioneel voetbal toe te staan in ons land. Met dat nieuwe statuut van de onafhankelijke voetballer werd betaald voetbal mogelijk, maar ontstond tegelijk ook het transfersysteem, een systeem waar RSCA dankbaar gebruik van zou maken.

Toen bij Union het team van de zestig wedstrijden zonder nederlaag over zijn top heen was, bleek dat er nooit echt aan opvolging was gedacht. Om de vervanging van de oude garde te voorzien, werden spelers getransfereerd. Zo ging Union ook bij RSC Anderlecht aankloppen voor niemand minder dan Constant Vanden Stock (1914-2008). Constant was een erg nuttige en slimme voetballer, een rechtsvoetige linksachter. Maar wel een chronisch geblesseerde. Vanden Stock had het wel goed bij Union: “Het publiek van Sint-Gillis bezorgde mij een hartelijke ontvangst. De aanpassing gebeurde rimpelloos en ik beleefde nog vijf mooie voetbaljaren in het Dudenpark”, vertelde hijIn 1943 hing hij echter noodgedwongen zijn voetbalschoenen aan de haak. 

Zowel Union als Anderlecht pakten groots uit op de transfermarkt, zelfs in volle oorlog. De resultaten daarvan liepen uiteen. Union haalde doelman Maurice Lammens weg bij Lokeren, voor 100.000 Belgische frank. Anderlecht deed daar nog een schepje bovenop door bij Tubantia Borgerhout de jonge midvoor Jef Mermans te halen voor 125.000 frank. Een recordbedrag, maar goed besteed geld, zo zou later blijken. Mermans werd de Belgische transfer van de eeuw. Hij was de missing link voor RSCA. Eigenhandig transformeerde hij paars-wit van een subtopper naar dé ultieme Belgische topclub. Intussen verzeilde Union-goalie Lammens na WOII in een schimmige zedenaffaire, waarvan zijn carrière nooit herstelde. Niet alles is voorspelbaar.

Afbeelding
3

Constant Vanden Stock kopt een bal weg tijdens RSCA - Union in 1936. (Bron: 100 jaar Royal Sporting Club Anderlecht)

Nieuwe zakelijkheid

Terwijl Mermans het speerpunt werd op het veld, zorgden twee ambitieuze jonge bestuurders ervoor dat Anderlecht ook naast het veld een voorsprong nam op Union en de anderen. Onder impuls van voorzitter Albert Roosens en secretaris-generaal Eugène Steppé werden na de Tweede Wereldoorlog de lijnen uitgezet voor een nieuwsoortig voetbalbeheer. Steppé en Roosens kwamen uit de brandstofindustrie. Als klerk bij Shell had Steppé gezien welke bedrijfsvoering nodig was om internationaal succesvol te worden en te groeien. Die principes gingen Steppé en Roosens ook op het voetbal toepassen. Anderlechts nieuwe zakelijkheid projecteerde de club de toekomst in, terwijl men bij Union nog steeds op de klassieke wijze te werk ging. Met goedmenende burgermannen die de zaken aanpakten zoals ze dat in de jaren ’30 hadden gedaan, zich onbewust van het feit dat de wereld en het voetbal intussen radicaal veranderd waren. Eenzelfde houding leidde ook bij andere voormalige topclubs zoals Daring en Beerschot tot een langzame achteruitgang. Bij Union volgden al gauw de mindere resultaten, met een eerste degradatie in 1949 en langzaam aan ook met steeds grotere moeilijkheden om zich financieel te meten met Anderlecht, FC Luik en Standard.

Afbeelding
4

Jef Mermans, de Bombardier van paars-wit, komt in 1942 over van Tubantia. (Bron: 100 jaar Anderlecht)

Van den Berg en Kialunda

Union zakte weg. Het beleefde nog een heropflakkering eind jaren vijftig/begin jaren zestig, geschraagd op het talent van Paul van den Berg, ook wel bekend als “de bleke Artiest”. Van den Berg was een van de meest elegante spelers die ooit op een Belgisch voetbalveld te bewonderen viel. 

Het begin van de Europese competities bracht nog wat heropgewarmde grandeur naar het Dudenpark, maar aansluiting vinden bij de Belgische top zou niet meer lukken. Van den Berg zou uiteindelijk ook vertrekken naar RSC Anderlecht, weliswaar via een tussenstop bij Standard. In het Astridpark verstond hij zich wonderwel met Paul van Himst, waarmee hij bij de Rode Duivels al het veld deelde. Ook de imposante Congolese verdediger Julien Kialunda zou van het Duden- naar het Astridpark verhuizen en daar uitgroeien tot een legende. Bij Union was het vet definitief van de soep. Hoger dan een vierde plaats zou Union na WOII niet meer reiken, tot de recente remonte althans. Voor paars-wit werden de grootste rivalen Standard de Liège, en later Club Brugge. 

Afbeelding
kialunda

Paul Van den Berg en Julien Kialunda in 1967-68. Van de 16 spelers op deze teamfoto speelden of trainden er 6 later nog bij Union: Heylens, Trappeniers, Plaskie, Kialunda, Van den Berg en Teugels. (Bron: RSC Anderlecht 1908 - 1983)

L’ère des millionnaires

Union kon het tij niet meer keren en degradeerde uit de hoogste voetbalklasse in 1973. Het zakte meteen ook door naar de derde klasse. Dat gebeurde onder leiding van oud-Anderlechtspelers Georges Heylens, die in het Dudenpark aan zijn trainerscarrière begon, en zijn assistent Jean Plaskie. Om het sportieve bloeden te stelpen, richtte Union zich in 1975-76 tot grote broer Anderlecht, dat druk bezig was de Europese top te bestormen. Er werd aangeklopt bij Constant Vanden Stock - die nog steeds een zwak voor Union had - en er werden maar liefst zes RSCA-spelers naar het Dudenpark gehaald; Eddy De Bolle, Leen Barth, André Denul, Stanley Leghait, William Stallaert en vooral Jan Verheyen. Die laatste bleef als derdeklasser gewoon verder voetballen bij de Rode Duivels. Het “miljonairselftal” van het Dudenpark deed het aanvankelijk ook erg goed. In de beker kwamen ze zelfs RSC Anderlecht tegen. Er was een doelpunt van Robbie Rensenbrink in de 95e minuut nodig om paars-wit na een zeer felbevochten wedstrijd een ronde verder te laten doorstoten. Ook Michel Lomme, rechtsback tijdens de gewonnen ECII-finale tegen West Ham, zou een jaar later naar Union verhuizen.

But something was definitely rotten at the Stade Mariën. Al gauw bleek dat er nog heel wat onbetaalde facturen waren voor de massale investeringen in de spelerskern en de verfraaiing van het stadion. Union had duidelijk boven haar stand geleefd en kon haar schuldeisers, waaronder ook RSC Anderlecht, niet betalen. Paars-wit stemde op gracieuze wijze in met een uitstel van betaling om Union wat financiële ademruimte te geven tot een aantal spelers verkocht konden worden. Maar het gat in de bodem van de kas van Union bleek niet meer te dichten. De harde supporterskernen van zowel RSCA als RWDM toonden in die omstandigheden hun Brusselse solidariteit. Ze zakten en masse af naar het Dudenpark voor een wedstrijd tegen Oostende om Union te steunen. De recettes konden het uiteindelijke faillissement van de club niet helpen voorkomen, maar ze droegen er wel toe bij dat Union niet volledig van de bondstabellen werd geschrapt. Met dank aan de solidariteit van veel Brusselaars, en een paar juridische ‘trucs’, kon Union uiteindelijk een moeizame herstart make. Al zou het vanaf dan wel een zware financiële last met zich meeslepen en jaarlijks zijn beste spelers moeten verkopen.

Afbeelding
7

Georges Heylens en Jean Plaskie aan de slag bij Union. (Bron: Royale Union Saint-Gilloise 120 jaar)

Galavoetbal

In 1997 vierde de gevallen topclub Union zijn 100ste verjaardag. Voor de gelegenheid werd RSC Anderlecht uitgenodigd. Een heleboel oud-spelers van de club werden voor aanvang van de wedstrijd gefêteerd, met bijzondere aandacht voor Constant Vanden Stock. Union had in tussentijd opnieuw een zekere sportieve stabiliteit hervonden in de derde afdeling. Dat had het te danken aan heel wat voor Anderlecht-fans bekende namen, zoals Jean Thissen, Daniel De Temmerman en Daniel Renders, die trainer werden in het Dudenpark. Of René Peeters, die er voetbalde en later jarenlang een van de spilfiguren op Neerpede zou worden. In de spits maakte José Barosso jarenlang het mooie weer. Hij kwam van bij de reserven van RSCA en was de jongere broer van Luis Oliveira. Anno 1997 speelde trouwens nog iemand anders met paars-witte familiebanden een hoofdrol bij Union. Manager Serge Trimpont was namelijk een kleinzoon van de legendarische Eugène Steppé, die enkele decennia voordien paars-wit revolutioneerde. 

4500 toeschouwers zagen hoe RSCA met Goor, Scifo, Zetterberg en een piepjonge Alin Stoica de galamatch afgetekend met 0-6 won. Bij Union deden een aantal ex-Anderlechtenaren hun entree, zoals Alain Van Lint en Olivier Fieuw. Bij haar honderdste verjaardag leek Union voorbestemd voor een rustig, maar ietwat mak sportief voortbestaan - bengelend tussen derde, tweede en vierde klasse. Het was ook in die periode dat een jonge Vincent Kompany met zijn familie op zondagen soms naar het Mariënstadion trok, naar die vergane glorie in dat prachtige, maar steeds verlatener stadion. Iets wat nog wel meer supporters van Sporting toen deden. Het liet bij Kompany alleszins zijn sporen na. In de aanloop naar een Champions League-wedstrijd van zijn Bayern tegen Union stelde hij dat hij als Brusselaar “totaal meer sympathie” koesterde voor Union dan voor clubs als Standard de Liège en Club Brugge. 

Afbeelding
8

Galamatch Union - RSCA ter ere van het 100-jarig bestaan van de Unionisten, met onder meer Zetterberg, Milosevic en Goor. (Bron: Yves Van Ackeleyen, RSCA 100 jaar)

Maar rivaliteit verandert veel

Het duurde tot de remonte van Union in de jaren 2020 dat Anderlecht en Union competitief nog eens tegenover elkaar kwamen te staan. In de beker leidde dat twee keer tot een nederlaag voor RSCA. Onder andere in eigen huis, waarna paars-wit de Zuid-Afrikaanse uitblinker Percy Tau op het oog kreeg en hem naar het Astridpark haalde. Tegen alle verwachtingen in, belandde Union in 2021 na 48 jaar terug in de hoogste voetbalklasse. Daar overtrof de club alle verwachtingen. Voor de eerste keer in bijna 115 jaar is er nu opnieuw sprake van echte rivaliteit tussen RSC Anderlecht en Union Saint-Gilloise. Beide clubs, die zoveel linken met elkaar delen, strijden opnieuw allebei voor landstitels en bekers tegen elkaar. En cours de route bewijzen ze daarmee ook nog eens dat Brussel één van de boeiendste voetbalhoofdsteden van Europa is en blijft.

Afbeelding
8

Het toegangsticket voor de galamatch ter ere van 100 jaar Union. (Bron: Yves Van Ackeleyen)

Leestijd: 17 minuten