Stadion

Sporting Anderlecht speelde zijn eerste wedstrijden op een hobbelige weide naast een smal paadje op de weg naar Scheut, boven de Eedstraat. Het terrein was zo moeilijk te vinden dat de eerste lidkaarten van de club de verwijzing "SC Anderlecht-links van het kerkhof" droegen. Bovendien moesten de spelers opletten om niet tegen de grote imposante eik te botsen die zich in het midden van het speelveld bevond.

Amper tien maanden na de oprichting van de club verhuisde Sporting Anderlecht van Scheut naar een terrein aan de Verheydenstraat (de huidige Demosthènestraat). Er werd een braakliggend veld geëffend en omheind. De kostprijs van deze hele operatie bedroeg 10.000 fr.

Onder de sympathisanten van de club werden vrijwilligers gerecruteerd om de kleedkamers te bouwen na afloop van de dagtaak. De kleedkamers was gewoon een houten barak die door een afscheiding in twéé gedeelten werd verdeeld. Om zich te wassen beschikten de spelers over enkele bakken water die aan beide kanten van de afscheiding binnenin opgesteld stonden. Om de kosten van de installatie aan de Verheydenstraat te betalen besloot het bestuur om inkomgelden te vragen. Een plaats in de lengte van het veld kostte 12,5 centiem en voor een plaatsje achter het doel moest je tien centiemen neertellen. De wedstrijden werden algauw gevolgd door 2 à 3.000 toeschouwers.

Paars-Wit zou maar liefst 8 jaar de terreinen aan de Verheydenstraat blijven bespelen. Na al die tijd was de populariteit van Sporting zo immens gestegen dat de installaties aan de Verheydenstraat veel te klein werden om alle kijklustigen nog een veilig plaatsje te bieden. Het gebeurde regelmatig dat supporters tot op het dak van de kleedkamer kropen om alles goed te kunnen zien. Een grotere locatie was dus dringend nodig.

Op 1 april 1917 keurde de voltallige gemeenteraad van de gemeente Anderlecht een bouwaanvraag goed voor een gemeentelijk stadion in het toenmalige Meirpark (het huidige Astridpark). Het stadion kon reeds in gebruik genomen worden aan het einde van het voetbalseizoen 1917-1918, amper tien maanden na het goedkeuren van de bouwaanvraag door het gemeentebestuur. Naar de naam van het stadion moest men niet lang zoeken, het werd genoemd naar de eerste mecenas van de club Emile Versé. Deze naam zou behouden blijven tot in 1983.

In 1935 steeg Sporting definitief naar de Eerste afdeling.In dat jaar werd de houten tribune vervangen door een betonnen gevaarte met glazen wanden. Deze tribune was meteen één van de modernste van het Europese vasteland. Het gemeentebestuur van Anderlecht was zo enthousiast over de promotie van Sporting naar de ereafdeling dat het aan de club een concessie van 40 jaar verleende tegen zeer gunstige voorwaarden.

In 1953 werden de 7.000 staanplaatsen recht tegenover de hoofdtribune in beton gegoten en overdekt. De pilaren die het dak moesten ondersteunen werden zover mogelijk naar achteren geplaatst zodat de toeschouwers een optimaal zich op het veld hadden en er weinig hinder van ondervonden. Sporting Anderlecht beschikte toen over één der modernste stadions maar toch zat men niet stil. Nauwelijks één jaar later werd de lichtinstallatie in gebruik genomen met een galawedstrijd tegen het Argentijnse RC Buenos Aires. Op 30 augustus 1958 werd de nieuwe hoofdingang van het stadion in gebruik genomen met een galawedstrijd tegen het grote FC Barcelona.

De capaciteit van het Emile Versé stadion werd opgevoerd naar 37.000 plaatsen, maar toch moest Sporting Anderlecht uitwijken naar het Heizelstadion voor zijn Europese wedstrijden gezien de enorme belangstelling waarop deze duels steeds mochten rekenen.

In 1962 werd er op de staanplaatsen langs de kant van het park een nieuwe zittribune gebouwd. Deze tribune leverde de club een bijkomende capaciteit van 2.500 plaatsen op. Dit bouwwerk werd genoemd naar de toenmalige secretaris van Sporting Eugène Steppé. Aan het eind van de jaren 70 was het Verséstadion volledig overdekt want ook de staanplaatsen waar de Anderlechtse spionkop stond, kregen een dakbedekking. Drie jaar later werd ook de accommodatie voor de pers vernieuwd en voorzien van verwarming, tevens werd er ook een platform geïnstalleerd voor radio en TV.

Op 20 september 1980 woonden maar liefst 38.349 kijkers de schok tegen Standard Luik bij in het Verséstadion, meteen het grootste aantal toeschouwers die een wedstrijd bijwoonden in het Verséstadion ooit. Drie jaar later besloot het bestuur van de club onder impuls van toenmalig voorzitter Constant Vanden Stock tot een volledige renovatie van het stadion in drie fasen.

De daad werd meteen bij het woord gevoegd en de hoofdtribune uit 1935 werd meteen tegen de vlakte gegooid. In de plaats kwam er een moderne zittribune met 5.200 plaatsen vooral oranje kuipzitjes. De vier imposante lichtmasten waarin nogal eens supporters een plaatsje vonden bij belangrijke confrontaties verloren hun plaats en werden vervangen door verlichting die over de hele lengte van het dak werd aangebracht. Tussen de eerste en tweede verdieping van het nieuwe gebouw kregen 31 logeboxen een plaatsje waarin heerlijke maaltijden worden geserveerd aan genodigden van geïnteresseerde bedrijven. Meteen deed de commercie haar intrede in het Belgische voetbal.

Aan de buitenzijde van deze nieuwe tribune werd meteen de nieuwe naam van het stadion aangebracht. Het nieuwe stadion werd meteen genoemd naar de huidige ere-voorzitter Constant Vanden Stock.

In 1985 rees aan de overzijde van het veld een kopie uit haar as van deze tribune. Alleen werden bij dit bouwwerk de 31 logeboxen vervangen door drie rijen business-seats met daarachter bar en restaurant. Deze verbouwing had ook tot gevolg dat het aantal zitplaatsen steeg tot 21.163 plaatsen en dat de staanplaatsen werden ingekrompen tot 6.900. Twéé jaar later was het de beurt aan de tribunes achter beide doelen om vervangen te worden. Het Constant Vanden Stockstadion werd hierbij omgetoverd tot een erg moderne voetbalkuip Door het grote aantal zitjes werd de capaciteit teruggebracht tot 32.000 plaatsen. In 1992 won de club de prijs van het Internationaal Olympisch Comité voor architectuur in de sport. Het kostenplaatje van de renovatiewerken bedroeg 1,5 miljard Belgische frank. De club genoot geen overheidssteun maar financierde de renovatiewerken met de opbrengst van loges en business-seats.

Tijdens Euro 2000 werden er geen wedstrijden in het modernste stadion van België gespeeld omdat de capaciteit van het stadion geen 30.000 plaatsen bedroeg zoals opgelegd door de Europese Voetbalbond UEFA. De subsidies ter verfraaiing van de stadions ter promotie van België werd voor het Brusselse gewest immers toegekend aan het Koning Boudewijnstadion dat eigendom is van de stad Brussel. Aangezien er op geen steun van de overheid kon gerekend worden voor de capaciteitsuitbreiding van het stadion besloot het clubbestuur om Euro 2000 aan zich te laten voorbijgaan en te investeren in de spelerskern wat twee opeenvolgende landstitels en een fantastische campagne in de Champions League zou opleveren.